Zolang mensen niet voldoende geëvolueerd zijn om de essentiële waarheden van het spirituele leven te begrijpen, zullen zij de materiële en tastbare kant van de religie nodig hebben. Maar de dag waarop het hun gelukt is zich te ontwikkelen en vanbinnen bepaalde subtiele centra te doen ontwaken – in de filosofie van het Hindoeïsme chakra’s genaamd – zullen zij tot een hoger begrip van de dingen komen en de uiterlijke vormen geleidelijk opgeven. Want zij zullen deze niet even levendig, intens en machtig vinden als wat zij innerlijk beleven. Op dat ogenblik zullen zij zelfs geen behoefte meer hebben aan kerken of tempels.

Er bestaan ontelbare tempels in de wereld en deze hebben hun reden van bestaan. Dankzij het vurig gebed van alle gelovigen, die er sedert eeuwen komen, zijn de kerken en tempels doordrongen van een gewijde atmosfeer. Maar zelfs de mooiste basilieken, de prachtigste kathedralen kunnen niet worden vergeleken met een menselijk lichaam, dat gezuiverd en geheiligd werd en zo een waarachtige tempel is geworden. Wanneer de mens van zijn lichaam een tempel heeft gemaakt en bidt in zijn eigen tempel, luistert God naar hem en wordt hij verhoord.

Zie ook ‘Subtiele centra van de mens – aura, zonnevlecht, hara, chakra’s’, Izvor 219, hst. 6 en ‘Op aarde zoals in de hemel’, Synopsis II, deel 3.